Indien men gehuwd
is in , heeft ieder
van beide partijen recht op de helft van de bezittingen
en schulden, welke tot die gemeenschap behoren.
Overigens vallen niet alle aanwezige bezittingen of
schulden in die gemeenschap.
Zo kan door een schenker en/of door een erflater bepaald
zijn, dat het van hem verkregene buiten de gemeenschap
valt.
Dat geldt ook voor de bezittingen en schulden, welke
aan één van de partners verknocht zijn
en de pensioenrechten, waarop de Wet verevening pensioenrechten
bij scheiding van toepassing is.
Duidelijk zal zijn, dat per geval uitgemaakt zal moeten
worden wat wel en niet tot de gemeenschap behoort.
Van belang is, dat er een totaal overzicht van bezittingen
en schulden komt.
Tevens moet duidelijk zijn, wat de waarde van de verschillende
goederen is.
Men kan die waarde in onderling overleg bepalen.
Lukt dat niet, dan kan taxatie door een onafhankelijke
en deskundige taxateur uitkomst bieden.
Vanwege de daaraan verbonden kosten, doet men er verstandig
aan lang te proberen tot onderlinge overeenstemming
te komen voor wat betreft de zaken met geringe waarde.
Ook is het natuurlijk mogelijk zaken tegen elkaar uit
te ruilen.
De
pleegt overwegend naar waarde in het economisch verkeer;
d.w.z. vrij van bewoning, getaxeerd te worden.
Bij het waarderen en verdelen en/of toedelen van
spelen vele -deels ook branchespecifieke (o.a. goodwill)
en fiscale- factoren een rol.
Indien de ondernemer het bedrijf na scheiding wil voortzetten,
zal met hem getracht worden een zodanige regeling tot
stand te brengen,waarbij dat ook echt mogelijk is.
Voorzover een bepaalde partij meer aan zaken uitgekeerd
krijgt -en daardoor overbedeeld wordt- zal dit bijvoorbeeld
gecompenseerd kunnen worden door de andere partij meer
in geld uit te keren.
De inhoud van de bepaalt naast het gestelde in de
wet en rechtspraak wat wel of niet tussen beide partijen
verdeeld moet worden.
Veel huwelijkse voorwaarden bevatten een zgn. .
Ingeval van een zgn. periodiek verrekenbeding bestaat
de verplichting om de door beide partijen gespaarde
inkomsten periodiek (meestal per jaar) met elkaar te
verrekenen.
Als deze periodieke verrekening achterwege is gebleven
zal aan het eind van het huwelijk nog tussen beide partijen
moeten worden afgerekend.
Op 1 september 2002 zijn nieuwe regels inzake verrekenbedingen
van kracht geworden.
Die regels houden onder andere in, dat voorzover bij
het einde van het huwelijk tussen partijen niet periodiek
is afgerekend het dan aanwezige vermogen vermoed wordt
te zijn gevormd uit wat verrekend had moeten worden.
Dit; tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid
in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht
anders voortvloeit,zoals de wet zegt.
Het zal duidelijk zijn, dat per geval uitgemaakt moet
worden, hoe die regels moeten worden toegepast.
Ook hier is dus maatwerk zeer geboden.